DE WAERE EN OIRSPRONKELYKE HYSTORIE DER TEMPELIEREN

Wie is die stoute baardige Ridder, die daar gints op den landweg onder den lommer van het rossche eikenloover, zoo overmoedig komt aangerend?

Wit als de reine, smetteloze wintersneeuw, uitgespreid over
een zwart-blauwe ijsvlakte, is de wapenrok die zich over de
flikkerende mallien der wapenrusting plooit; wit is de mantel,
breed in grootten, die, in den wilden ren, golvend achter hem
aanzwiert. Aan den linker schouder van dien mantel tintelt u
vanuit de wapperende plooien een bloedrood kruis tegen, en
over zijn kap van wit linnen draagt hij een kleine rode muts.
Het is een Tempelier.
Toen Europa in 1099 de blijde tijding der verovering van
Jeruzalem ontfing, werd de zucht tot bedevaarten levendiger
dan ooit te voren, en van alle zijden stroomde men vanuit het
Westen aan, om de heilige Stad en de oirspronkelijke
gedenkteekenen van de voetstappen des gezegenden Verlossers,
aan de echtheid van welke overblijfselen niemand twijfelt, van
nabij te aanschouwen. Maar van verschillende sterkten aan de
bergachtige kust wapperen noch geele en groene vaandelen, ten
tergend bewijs, dat daer een Saraceensch Opperhooft, wraak-
ende plundergierig beide, het bevel voert. Evenzeer houdt de
Saraceense ruiterij, die dikwerf aan de overzijde des Jordaans
een even plotselijken als hevigen inval doet, den weg naar
Jeruzalem bij voortduring onvrij.

Daarom hebben zich in 1119, onder den aanvoering van den
edelman Hugo de Payens en Godfried van Sint-Omaars, enen
Vlaamsche edelman, en zes overigen edelmannen met den nood
hunner geloofsgenoten begaan, een plechtige verbintenis
gesloten en een heilige gewapende broederschap ingesteld, ten
doel hebbende om elkander behulpzaam te zijn in het zuiveren
der grooteren wegen, zo herhaaldelijk ontveiligd door
ongeloovigen en struikrovers, en in het verdedigen der
geloovigen pelgrims op de moeilijke tochten door de bergpassen
naar de heilige Stad. Aangevuurd door den godsdienstigen en
krijgststandhouding aanwier zij de scherpte van hunner
zwaarden en geheel de kracht hunner levens hebben gewijd,
gaven zij zichzelf den treffenden naam van "Arme
Krijgsbroeders van Jezus Christus en den Tempel van Salomon",
omdat zij van den koning van den Christenstaat Jeruzalem,
Boudewijn, enen bepaald verblijf geschonken op de berg Moria,
nabij den dus genoemden Tempel van Salomon, verkregen.

Hugo de Payens werd door den zeven anderen Ridders gekozen tot
den eersten Grootmeester der van heden af aan genoemden
"Ridders van den Tempel" ofwel orde der Tempeliers.

Deze Orde der Tempeliers was deelgenoot ener groep der
Ridderorden, welk vormden den stoottroepen der Militia
Christi, ener aan den dienst Christus toegewijde Ridderarmee.
De bewoording Militia Christi danken wij aan den Heiligen
Bernardus van Clervaux, welken op verzoek van den Tempeliers
en van den Koning Boudewijn van Jeruzalem, wetten schonk aan
den Orde. Dezen wetten werden op den dertiende januari 1128
onzeres Heeres door het Concilie van Troyens bekrachtigd.

De Ridder moest leven zoals een monnik betaamt en den
vreedzame Christelijke deugden beoefenen en in enen kuize
situatie leven met grootten mate van naastenliefde zonder
eigenbaat. Maar bovenal waren dezen fiere Ridderen strijders
voor den Christelijken zaak. Zij trotseerden heidens gewelt en
Saraceense boosheden en waren ene voorbeeldigheid voor den
Heiligen Strijd tegen den Musselmannen.

De Tempelieren zijn altoos de voorsten in het gevecht, en de
achtersten in den aftocht; met de grootste orde, stilte en
omzichtigheid trekken zij ten strijde; met de meeste aandacht
letten zij op het bevel huns Grootmeesters. Wordt het sein tot
den aanval gegeven; wordt de klaroen gestoken en hunne speeren
vellende, stormen zij voort, en of zij breken des vijands
rijen door, of zij sneuvelen. Mocht het een hunner overkomen
dat hij den vijanden den rug toekeert, of zich minder
heldhaftig gedraagt dan behoort, hem wordt de witte mantel met
het roode kruis, de leus hunner orde, met schande van de
schouderen gerukt, en het kruis zelf, door de broederschap
gedragen, wech genomen; van de vereeniging der broederen
uitgestootten, is hij verplicht om van den grond te eten,
zonder servet of tafellaken voor zich, en de honden niet
mogende verjagen, die zich rond hem verzamelen en hem kwellen.
Die straf blijft een vol jaar aanhouden. Toont hij in dien
tusschentijd een waarachtig berouw, zoo wordt hij door den
Grootmeester en de Broederen weder in zijn vorig gewaad
gekleed en in zijn eere hersteld, en zij nemen hem weder in
hunne gemeenschap op.

Ondanks den fiere strijd, welken, den Tempeliers jegens den
barbaarschen Musselmannen gevoerd hebben, was de overmacht der
Saracenen te groot. Tijdens den slag bij Tiberias in 1187
onzeres Heeres beslisten de zonen van het paradijs en de zonen
des vuurs enen vreselijk geschil. De pijlen snorden door de
lucht, gelijk de snerpende wieken van ontelbare vogels; de
vonken vloogen van de pantsers en van de zwaarden, en het
bloed, opspattende uit de borst der strijders, bevochtigde de
aarde, gelijk de regenbuien der hemels. Door verraad der
valsche graaf Tripoli werden den Tempelieren omcingelt. Allen
werden na grootschen strijd gedood of gevankelijk weggevoerd.
Voor den laatsten restten nu noch de kromzwaarden der beulen,
na met trots en moed aan den Christelijke waerheden
vastgehouden te hebben.

Dezen schriklijken slag luidde de val van het o arme Jeruzalem
in. Door grootten daden echter wisten den Tempelieren noch tot
1291 onzeres Heeres de strijd jegens den bloeddorstigen vol te
houden. In dit waardigen jaar werd den zetel des Grootmeesters
van Acre naar het vastenland Europa's verplaatst.

Nu, denkt echter niet dat den Tempeliers in Europa denevens
het heilige land hebben stilgezeten. Zij vergaarden grootte
rijkdommen voor den Heiligen Strijd. Parijs was hunner
hoofdzetel, waar den gelden met scherpzinnigheid vergaard en
beschermd werden. Ook enorme landgoederen waren van grootte
importantie voor den ontwikkeling der Tempeliers. Vrijdom van
tienden, belasting en tollen was een groot recht welken zij
verwierven. Maar niet alleen met munten en goederen wisten zij
raad, ook het drankgelag was niet vreemd aan dezen Tempel-
heeren. Geest en lichaam moest gesterkt worden voor den
geloovigen strijd; zo ook den drank was Heilig.

Maar booze geesten wendden deze en allerhande andersoortige
pracktijken aan om den Broeders van de Tempel van valschheid
en geniep te beschuldigen. Een gemeenlijk pact tusschen den
bloeddorstigen koning Filips de Schone van Frankrijk en den
duivelschen paus Clemens den Vijfden maakte een eind aan het
grootse bestaan der Orde. De Tempelieren werden beschuldigd
van woekering, drankzucht en godslasterlijkheden, wegens de
heimelijkheden die den inwijdingsceremonie‰n kenmerkten.
Vrijdag den dertiende oktober 1307 onzer Heeres werden aller
onzer Fransche Broederen gevankelijk weggevoerd om berecht te
worden voor onwaerheden en valschelijkheden. Onder pijniging
en andere folterlijke bezigheden werden de wreedste onwaere
bekentenissen afgedwongen van den arme Broederen. De dag des
onheils naderde en al reeds op den twaalfden mei 1310 onzeres
Heeres stierven 54 Tempelieren in grootsheid op den
brandstapel. Twee jaar later tijdens het concilie van Vienne
veroordeelde de onwaerdige Clemens den Orde wederom en hief
haar uiteindelijk op. De gruwelijkheden waren nochtans niet
voorbij. Op den achtiende maart 1314 onzeres Heeres stierf
samen met enige Medebroeders op den brandstapel in het
ontheilige Parijs op ener eiland in de Seine onzer laatsten
Grootmeester Jacques de Molay. De rijkdommen en bezittingen
der Tempeliers werden op diefachtige wijze overgedragen aan de
Johannieter orde, later wordende de Maltezer Orde.
Voor den Tempelieren is heden den dag ontsproten om den strijd
jegens den Boze wederom aan te heffen. De wraak jegens Filips,
Clemens, den Johannietters en andere valschelijckheden zal
groot zijn. Ene historie is weder tot leven gebracht.

H.T.M. van Benthum